Biografie en residentieproject

© Cécile Braneyre
1 april tot 30 juni 2026
Biografie
Clare Poolman woont en werkt in Marseille. Na een eerste opleiding in menselijke ontwikkeling behaalde zij in 2023 haar diploma aan de Beaux-Arts de Marseille. Clare Poolman nam deel aan diverse tentoonstellingen in Frankrijk, onder meer in La Friche de la Belle de Mai en bij Système C (Marseille), evenals bij het Centre Pompidou, Poush en Le Centquatre Paris. Ook was haar werk internationaal te zien, onder andere bij de Hellenic American Union in Athene en het Institut français in Kinshasa. Zij ontwikkelt een plaatsgebonden praktijk, waarbij ze aandacht heeft voor de manieren van in relatie treden en zich laat inspireren door residenties, recentelijk bij ASFA Rhodes en in een psychiatrisch ziekenhuis in Frankrijk. Hoewel haar werk geworteld is in de tekenkunst, krijgt haar onderzoek uitdrukking in verschillende vormen: gedicht-sculpturen, gebouw-verpakkingen, publicatie-ruimtes. Elk werk vormt een uitnodiging om de elementaire structuren die wij als vanzelfsprekend beschouwen te bevragen, of het nu gaat om architectuur, taal of tijd. De relationele dimensie van haar werkwijze komt ook tot uiting in haar samenwerkingen, in duo met Etta Marthe Wunsch en binnen het collectieve project Lifer Heritage.
Residentieproject
Het residentieproject van Clare Poolman in het Drawing Centre richt zich op het leren van het Nederlands en het Twents, een streektaal uit het oosten van Nederland. Clare zal zich toeleggen op het documenteren van het taalverwervingsproces, met name via tekenen en geluid. Zij kiest daarbij voor een co-creatieve aanpak, door middel van workshops en ontmoetingen met lokale verenigingen. Door te onderzoeken hoe wij omgaan met, en creëren in relatie tot, anderen – inclusief niet-menselijke entiteiten – biedt dit project ook de gelegenheid om de gevolgen van kunstmatige intelligentie voor onze denkpatronen, leerprocessen en uitingsvormen te onderzoeken. De kern van het onderzoek ligt in de gewaarwordingen die ontstaan wanneer taal nog in wording is, wanneer woorden nog geen betekenis hebben en codes zich nog kunnen herschikken.
Wat was voor u de aanleiding om u aan te melden voor het programma van de Nouveau Grand Tour NL, en in het bijzonder voor deze residentie bij het Drawing Centre Diepenheim? Wat verwachtte u van deze onderdompeling in Nederland?
“Ik dacht dat het geweldig zou zijn om hier drie maanden volledig ondergedompeld te zijn. Ik kwam hier om me te verdiepen in een aantal vragen waar ik nog niet eerder aan toe was gekomen, maar die al een tijdje door mijn hoofd speelden: de manier waarop we onze vermogens aan AI uitbesteden en hoe schrijven, tekenen, nadenken en creëren allemaal met elkaar samenhangen. Ik wilde me daarin verdiepen op een plek die deel uitmaakt van een ecosysteem rond tekenen.
Ik hield ook van het idee van een vrij eenvoudig leven. Althans, zo stelde ik het me voor. De rust, om me te kunnen concentreren; een rustige plek om te experimenteren. Om persoonlijke redenen wilde ik al lange tijd Nederlands leren, maar het ontdekken van het Twentse dialect en hoe het hier in deze streek functioneert, bleek ontzettend interessant.

Tot slot wilde ik mijn artistieke werkwijze verder ontwikkelen. Ik richt me steeds meer op samenwerkingsprojecten en wilde nadenken over hoe dat in zijn werk gaat, over de ethiek van die co-creatie. Ik hoopte daarom mensen te ontmoeten met wie ik hieraan kon werken, maar ook om mijn werkterrein uit te breiden van tekenen naar geluid. Ik wilde dus héél veel dingen in deze residentie samenbrengen, en gelukkig heb ik uiteindelijk een behoorlijk aantal dingen daarvan kunnen voor elkaar gekregen.”

Is uw onderzoeks- en creatieproject veranderd toen u eenmaal bij uw residentieplek was ondergedompeld in de omgeving?
“De eerste maand stond vooral in het teken van het vinden van mijn weg. Zo ontdekte ik dat Diepenheim het middelpunt van het universum is. Op het eerste gezicht lijkt het een heel rustig dorp waar niets gebeurt, maar het is eigenlijk een echte ‘Stedeke’ (stad).

In één maand tijd kon ik deelnemen aan het festival Kunstmoment, aan het Taal café (een praatcafé in het Nederlands voor immigranten) en aan een open feest bij Huis te Diepenheim. Aan de voet van een eeuwenoude watermolen sprak ik met een deskundige die zich inzet om het dialect te verspreiden en als taal erkend te krijgen. Ik zag kinderen een brandbare stapel die tien keer zo groot was als zijzelf in brand steken om de komst van de lente te vieren. Ik fietste langs de zes kastelen op een fiets die ik van een buurvrouw had geleend…

Ik moet zeggen dat de mensen hier ontzettend gastvrij waren, waardoor er enorm veel deuren voor me opengingen. Het onderwerp taal en dialect op zich wekte bij veel mensen een grote belangstelling en maakte dat ze graag dingen wilden delen. Ik had niet beseft dat dit zo’n gevoelige snaar zou raken. Mensen waren heel gul met hun tijd, hun energie en zichzelf en wilden zich echt concreet voor het project inzetten. Ik had me geen betere ontvangst kunnen wensen.
Door hier te zijn ben ik me gaan realiseren dat het project veel meer draait om ergens bij horen, contact, aanraking en taal als ruimte voor verbinding, iets dat bij mijn aankomst niet vooropstond. Ik dacht aanvankelijk meer na over het ontstaan van taal en de manier waarop taal zich verspreidt, maar hier werd ik als het ware gedwongen om ook die andere aspecten te onderzoeken.”
Tijdens uw residentie heeft u veel samengewerkt met festivals, culturele instellingen, verenigingen en onderzoekers. Kunt u ons meer vertellen over deze projecten en over de manier waarop ze uw onderzoek hebben verrijkt?
“Ik heb inderdaad geluk gehad dat ik tijdens mijn residentie verschillende samenwerkingen heb kunnen opzetten. Samen met een groep tekenaars namen we de ramen van de bewoners van de Grotestraat onder handen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om de vervoegingstabel van het Twents op de schaal van een huis uit te werken. Voor het Maker Festival van kunstcentrum Tetem begeleidde ik meerdere dagen workshops voor kinderen van alle leeftijden. Door het schrijven te verkennen als vorm van tekenen, hebben we leporello’s gemaakt. Tijdens het tekenfestival Tekentuin liet ik volwassenen soortgelijke oefeningen in ‘afleren’ doen: schoenen uit, je een weg banen door een ongewone ruimte, tekenen met je ogen dicht of met een gereedschap van vijf meter lang…
Deze collectieve experimenten hebben geleid tot een nieuwe werkwijze waarbij ik mensen in mijn atelier uitnodigde voor ‘teken-gesprekken’, om naar elkaar te leren luisteren. Dat was een enorm verrijkende ervaring.

Ik zou ook graag een samenwerking met de Universiteit Twente willen noemen. Dankzij het team van het Institut français NL heb ik Martien Jalink kunnen ontmoeten en vervolgens onderzoekers bij het project kunnen betrekken die er enthousiast over waren. Zo hebben we samen met Rupesh Mishra de ‘Twents Conversation Machine’ ontwikkeld: een bot waarmee gebruikers kunnen ontdekken in hoeverre AI het Twents momenteel beheerst. We presenteerden dit interactieve werk op het Enhance Festival, waar onder meer universiteiten uit Ierland, Litouwen en Portugal vertegenwoordigd waren. Heel veel dank aan Martien en Rupesh, en natuurlijk ook aan Jamila Blokzijl!”

Welke ontmoetingen hebben tijdens uw residentie de meeste indruk op u gemaakt en welke nieuwe perspectieven bieden deze nu voor de verdere ontwikkeling van uw artistieke praktijk?
“Allereerst waren er de regelmatige gesprekken met Noa Zuidervaart, artistiek directeur van het Drawing Centre Diepenheim, en met het hele team. Zij vormden gedurende de drie maanden een geweldig en zeer sympathiek professioneel klankbord, begeleidden me tijdens mijn residentie en brachten me in contact met relevante kunstenaars en curatoren. Zo werd mijn residentie afgewisseld met atelierbezoeken: ik had het genoegen om Nanda Janssen, Florian Weigl en Lieke Wouters te ontvangen… Ik heb ook gebruikgemaakt van mijn OV-kaart om openingen bij te wonen, onder meer bij Melly en Garage.

Ik ben dankbaar voor de kunstenaars met wie ik gedachten heb kunnen uitwisselen. Allereerst Marieke Zwart, die net als ik als resident van het Mondriaan Fonds bij het Drawing Centre verbleef. We hebben veel gesproken over de protocollen voor collectief werken en over verantwoordelijkheid binnen een sociale kunstpraktijk. Maar ook Edwin Dertien, Esther Polak, Ivar van Bekkum en Jonathan Reus… Die laatste heeft een open-source-AI-tool ontwikkeld voor het verwerken van stemgeluid en heeft daarnaast een ethische benadering van dit vakgebied ontwikkeld. Uit al deze gesprekken komen duidelijk tal van nieuwe mogelijkheden voor mijn werk voort.
Ook binnen de academische wereld heeft het werk Twents Conversation Machine interessante gesprekken op gang gebracht. Ik hoop dat mensen en organisaties uit de regio het stokje overnemen om het belang ervan voor de regionale taal verder te onderzoeken. Voor mij hebben de gesprekken met bijvoorbeeld Frank Léoné een duidelijke invloed gehad op het verloop van mijn onderzoek. In de toekomst zou ik graag nauwere samenwerkingen met onderzoekers willen.”
Uw residentieproject draaide om het leren van het Twents en het Nederlands. Wat heeft u in deze drie maanden ontdekt over dit leerproces en de manier waarop het uw artistieke praktijk beïnvloedt?
“Ik kan een paar zinnetjes zeggen, zoals:

Wat meestal gebeurt wanneer ik een paar woordjes uitspreek die ik heb weten op te pikken, is dat iemand zegt: ‘O, niet slecht, je bent er bijna, maar het klopt niet.’ Het Twents is ontzettend rijk, juist omdat het zo gevarieerd is. Het verandert enorm van dorp tot dorp, als een soort biodiversiteit. Wat hier goed klinkt, kan een paar kilometer verderop ineens verkeerd klinken.
Maar in plaats van te proberen het Twents of het Nederlands volledig onder de knie te krijgen, ben ik me gaan richten op het proces van taal leren zelf. De inspanning die nodig is om contact te maken met een ander door te luisteren, te imiteren en te proberen op elkaar af te stemmen: ‘to tune in’. Vaak zijn het juist de ‘geluiden’ – de aarzelingen, versprekingen en gestotter – die laten zien wat er gebeurt wanneer we samen ‘betekenis’ opbouwen.

Ik probeer te onderzoeken of ik het ‘plat’, het dialect, via tekenen kan leren. Of liever gezegd: of ik het leerproces zelf kan tekenen. Ik realiseerde me dat ik mezelf in een situatie wilde plaatsen waarin menselijke interactie centraal stond. Ik wilde dus niet in mijn eentje zitten met een leerboek op mijn schoot, maar met mensen zijn en proberen te luisteren. Ik vroeg hun om te delen wat zij wilden delen. Zo heb ik een volstrekt subjectieve verzameling gegevens verzameld, net als bij iedere dataset die voor AI wordt gebruikt.
Dit impliciete leerproces bracht me ertoe te dansen met een lokale traditionele dansgroep, mensen in mijn atelier uit te nodigen en samen met anderen tekenoefeningen in de buitenlucht te doen. Uit al deze activiteiten ontstond een soort datacorpus – of is het eerder een hoop taalkundige compost? – waaraan ook materiaal is toegevoegd dat ik heb verzameld in een soort bottom-up archief dat ik tijdens mijn reizen steeds verder aanvul, onder meer na mijn residentie op Rhodos.”
U woont en werkt in Marseille. Hoe heeft uw verblijf in een landelijke omgeving als Diepenheim uw kijk en ervaring met de residentie beïnvloed?
“Ja, Marseille en Diepenheim liggen wat dat betreft aan twee uitersten. De stad leek me, althans op het eerste gezicht, behoorlijk monocultureel, en dat is nu juist niet wat ik gewend ben in Marseille. Daardoor had ik hier niet meteen het gevoel dat ik thuis was, maar toch heb ik het gevoel dat ik hier een thuis voor mezelf heb opgebouwd. Dat is ongelofelijk: je hoeft maar naar buiten te gaan en je komt eerst een paar dieren tegen die je begroeten – of het nu gierzwaluwen, waterhoentjes, rode eekhoorns, koeien, schapen of paarden zijn – en vervolgens kom je binnen een paar seconden iemand tegen die je kent. Ik vond het dus een warme en gastvrije plek, wat fantastisch was voor de ontwikkeling van een project dat uiteindelijk draait om relaties tussen mensen.

Dankzij mijn OV-kaart kon ik ook het landschap en de grotere steden in de Randstad verkennen. Maar het is interessant om te beseffen dat je als kunstenaar niet per se een stad nodig hebt. In ieder geval niet altijd. Ik denk dat dit deels te maken heeft met het bijzondere karakter van Diepenheim: het heeft een rijk cultureel erfgoed en veel inwoners zijn kunstenaar of staan open voor kunst.
Naast de geweldige mensen die ik heb ontmoet, zal Diepenheim ongetwijfeld een bijzondere plek in mijn herinnering houden als de plek waar ik heb leren fietsen zonder handen aan het stuur! Met dank aan de overal aanwezige fietspaden en de heuveltjes van twee centimeter hoog.”
Wat neemt u mee uit deze ervaring in het kader van de Nouveau Grand Tour NL, en hoe wilt u de impact ervan meenemen in uw toekomstige projecten?
“Op dit moment bereid ik de presentatie van mijn residentie voor. Samen met Marieke openen we onze ateliers voor het publiek. Ik hoop dat ik de komende dagen nog veel meer materiaal en ervaringen kan verzamelen.

Ik kan zeggen dat ik hier in Europa een begin heb gemaakt met het onderzoeken van de dynamiek tussen, laten we zeggen, een minderheidstaal en een meerderheidstaal, of een ‘imperiale taal’. Ik voel de behoefte om het onderzoek dat ik hier heb gedaan opnieuw tegen het licht te houden en mezelf in een compleet andere taalkundige context te plaatsen, waar ik me veel meer verloren zal voelen, omdat ik hier inmiddels zoveel houvast en aanknopingspunten heb. Ik ben dan ook ontzettend blij dat ik ben geselecteerd voor een residentie in Zuid-Korea, die binnenkort zal plaatsvinden. Ik zal tijd doorbrengen in Busan, en het is fascinerend om nu al te horen dat daar vergelijkbare verbanden worden gelegd tussen de dialectgroep van Busan en wat men het Standaard Koreaans noemt.
Ik vertrek uit Deep’n met een enorme hoeveelheid opnames en materiaal die nog geen definitieve vorm hebben gevonden. Ze gaan dus met me mee en hopelijk kan ik er, eenmaal terug in mijn atelier, mee aan de slag. Een deel ervan zal te zien, of eigenlijk te horen, zijn tijdens Art-o-rama in Rivage.
En natuurlijk moeten de gesprekken die ik hier heb gevoerd met de kunstenaars en curatoren die ik heb ontmoet, worden voortgezet. Ik zou me kunnen voorstellen dat er uitwisselingen ontstaan tussen Marseille en Nederland. En ik zou heel graag willen terugkomen voor een samenwerking op langere termijn, want ik heb het gevoel dat alles eigenlijk nog maar net begint.




