Biografie en residentieproject

© Nina Medioni
1 april tot 30 juni 2026
Biografie
Julie Gaubert studeerde in 2020 af aan de École Supérieure d’Art du Nord-Pas de Calais. In haar werk creëert ze ontregelende momenten die het dagelijks leven bevragen en op zijn kop zetten. Dit doet zij in de vorm van acties, sculpturen, installaties, video’s of geluidswerken. Tussen gevoelige beelden, poëzie en persoonlijke observaties benadert zij het politieke als een domein vrij van rechten, meningsuiting en onderzoek. Tijdens haar residentie in 2022 in de Espace Croisé in Roubaix presenteerde Julie haar solotentoonstelling Antichambre, waarin zij haar onderzoek naar hiërarchische machtsstructuren toonde. Ze maakt vormen van verzet zichtbaar en bevraagt tegelijkertijd de omstandigheden waarin ze ontstaan. Haar werk wordt gedragen door sociale en politieke betrokkenheid en stelt vragen over de politieke vormen van verzet, de plekken waar ze kunnen plaatsvinden, de banden die de groepen vormen en de manieren waarop deze stemmen gehoord kunnen worden.
Residentieproject
Bij Greylight Projects wil Julie Gaubert een nieuw hoofdstuk in haar onderzoek ontwikkelen: Et si les mues continuent de chanter (Vertaald: En wat als de vervellingen bleven zingen). In dit project verkent zij de ondergrondse, micro-verzetsbewegingen en uitdrukkingsvormen die buiten de gangbare kaders ontstaan. Haar werk krijgt vorm via sculpturen, geluid, video en installaties waarin verschillende soorten verhalen (persoonlijk, historisch, media, fictief) samenkomen. Zij onderzoekt hoe taal zich binnen hiërarchische systemen beweegt: hoe het dominante signalen omzeilt, infiltreert of verstoort. Julie werkt graag met kwetsbare of instabiele materialen die kunnen dienen als overgang-, resonantie-, of transformatieoppervlakten. In Heerlen, binnen deze poreuze grensregio waar verschillende talen, autoriteiten en sociale realiteiten samenkomen, hoopt zij dit onderzoek voort te zetten. Zij zal zich daarbij richten op informele communicatienetwerken, zoals lokale clandestiene radiozenders, amateuruitzendingen en geluidsfragmenten van verstoorde frequenties of gemeenschapsstemmen. De figuur van de Limburgse piratenzender Pirate Zenders kan daarbij dienen als uitgangspunt, een populaire anekdote én een plaatsgebonden strategie om dominante structuren te omzeilen en ruimte te creëren voor emancipatie.
Wat heeft u ertoe gebracht u aan te melden voor het programma van de Nouveau Grand Tour NL, en specifiek voor Greylight Projects? Wat verwachtte u van dit verblijf in Nederland, en wat betekende de mogelijkheid om uw onderzoek in een nieuwe context voort te zetten?
In mijn werk houd ik me bezig met geloofssystemen en ficties die bijdragen aan de totstandkoming van macht: het recht, geld, schuld, bestuur, maar ook de manier waarop de staat wordt voorgesteld. Tegelijkertijd kijk ik naar wat er aan deze systemen ontsnapt of wat erna overblijft: gebaren, verhalen en plekken die, binnen of aan de rand van die systemen, op een of andere manier blijven functioneren en andere vormen van uitwisseling, geloof en sociale relaties voortbrengen. Dat kan bijvoorbeeld via piratenzenders, alternatieve valuta, tijdelijke autonome zones of verschillende informele netwerken.

Mijn werk had vaak een vrij uitgesproken politieke lading. De laatste tijd probeer ik mijn onderzoek minder rechtstreeks in vormen te vertalen en juist meer ruimte te laten voor fictie, verbeelding en poëzie.
Vanuit die ontwikkeling heb ik me aangemeld voor de Nouveau Grand Tour NL. Ik wilde een onderzoek dat al liep naar een nieuwe context verplaatsen, het toetsen aan een bepaald gebied en vooral meerdere maanden de tijd hebben om onderzoek te doen, mensen te ontmoeten en het project zich te laten ontwikkelen.

Nederland sprak me onder meer aan vanwege zijn politieke en economische geschiedenis, als een van de bakermatten van het moderne kapitalisme, maar ook vanwege de meer ondergrondse praktijken die door de geschiedenis heen lopen. De piratenzenders en de grensregio’s vormden al snel enkele van de eerste aanknopingspunten. De ligging van Heerlen, tussen Nederland, België en Duitsland, sloot dan ook goed aan bij mijn onderzoek naar vormen van circulatie en manieren waarop mensen zich aan bestaande structuren onttrekken.
Ook voor Greylight Projects heb ik heel bewust gekozen, vanwege de ruimte die de organisatie biedt aan experiment, kritische praktijken en vormen die nog in ontwikkeling zijn. Ik wilde niet aankomen met een al uitgewerkt project, maar juist de mogelijkheid hebben om het onderzoek ter plekke te laten ontwikkelen.

Deze drie maanden hebben mij uiteindelijk niet alleen in staat gesteld om dit onderzoek verder uit te diepen, maar ook om mijn manier van werken in bredere zin te veranderen: meer tijd nemen en nadenken over de manier waarop politieke vraagstukken al aanwezig kunnen zijn in de materialen, vormen en verbeeldingswerelden die ik samenbreng.”
Hoe heeft uw onderzoek, na een residentie van enkele weken bij Greylight Projects, zich ontwikkeld door het contact met het gebied en zijn geschiedenis? Welke nieuwe invalshoeken of ontmoetingen hebben uw project gaandeweg verrijkt?
“Mijn manier van werken bestaat doorgaans uit vrij lange of soms versnipperde periodes van onderzoek. Ik lees, verzamel verhalen en archiefmateriaal, ga op pad, ontmoet mensen en begin ondertussen met het creëren van dingen, vaak zonder meteen te weten welk resultaat daaruit zal voortkomen. In Heerlen ontwikkelden zich verschillende onderzoekslijnen tegelijkertijd, voordat ik geleidelijk begon te begrijpen wat ze met elkaar verbond.
Zo heb ik onder meer onderzoek gedaan naar de Bokkenrijders, figuren die in Limburg bijna een legendarische status hebben gekregen en van wie de verhalen zich bewegen tussen criminaliteit, volksmythologie en sociale geschiedenis. Achter het beeld van de rover die op de rug van een bok door de lucht vliegt, raakte ik geïnteresseerd in de economische omstandigheden waarin deze verhalen ontstonden, in smokkelpraktijken en in de manieren om in het levensonderhoud te voorzien, maar ook in de criminalisering van bevolkingsgroepen die zich al in een kwetsbare positie bevonden.
Tegelijkertijd ontdekte ik hoe belangrijk de pirate zenders zijn, de populaire piratenzenders die in de regio een lange traditie hebben en waarvan sommige nog altijd actief zijn. Ondanks de historische afstand tussen deze praktijken ontdekte ik een overeenkomst in de manier waarop ze functioneren: informatie doorgeven en verspreiden, eigen netwerken opbouwen of manieren vinden om buiten de gevestigde kaders in het levensonderhoud te voorzien.
Piratenzenders, vrije frequenties, clandestiene uitzendingen: Radio is My Bomb brengt enkele van de verhalen en praktijken samen die in dit onderzoek aan bod komen. Deze bron is hier in twee delen te bekijken en biedt een andere invalshoek op de radio als plek voor uitwisseling, experiment en overdracht.
Gaandeweg werd het begrip overleven belangrijk. Ik wilde niet langer de machtsstructuren centraal stellen, maar kijken naar wat zich daartegen verzet, soms op heel subtiele manieren: gebaren, verhalen, overtuigingen en volksgebruiken die blijven voortbestaan ondanks een verbod, criminalisering of het vooruitzicht te verdwijnen. Door uit te gaan van historische figuren zoals de Bokkenrijders én van nog altijd bestaande praktijken zoals de piratenzenders, kon ik ook onderzoeken wat deze vandaag de dag nog kunnen voortbrengen en welke toekomstbeelden ze ons kunnen helpen verbeelden.
Op dat moment verscheen de vuurvlieg als beeld. Voor mij werd zij een uitgesproken politieke, bijna anarchistische figuur, die tegelijkertijd iets sprookjesachtigs heeft. Om haar waar te nemen, hoef je niet langer je oren te spitsen, maar moet je je ogen de kost geven. Haar licht staat bijna haaks op het verblindende licht van de macht: het probeert niet alles zichtbaar te maken, maar verschijnt als kleine lichtpunten die elkaar in het donker kunnen herkennen en op elkaar kunnen reageren.

Deze vuurvliegjes kregen de vorm van larven, uitgehouwen in likstenen, waarin ik een verlichtingsmechanisme heb verwerkt. Ze lichten op en reageren rechtstreeks op elkaar, afhankelijk van de activiteit van de pirate zenders: het aantal actieve stations en het aantal luisteraars veranderd hun lichtpatroon. Zoals vaak in mijn werk speelt het materiaal een belangrijke rol. Een liksteen is een blok zout en mineralen bedoeld voor dieren, een verbruiksmateriaal dat door gebruik geleidelijk veranderd en verdwijnt.”

Hoe hebben de ontmoetingen, bezoeken en uitstapjes uw onderzoek tijdens de residentie verrijkt? Hebben deze uitwisselingen u in staat gesteld nieuwe wegen in te slaan of uw blik te verleggen op de vraagstukken die u onderzocht?
“De residentie is grotendeels gevormd door verplaatsingen en ontmoetingen. Ik reisde heen en weer tussen Heerlen, Maastricht, Luik, Den Haag en andere plaatsen in de regio, waarbij ik de onderzoekslijnen volgde die gaandeweg ontstonden. Veel van de verhalen waarin ik geïnteresseerd raakte, overschreden zelfs de grenzen tussen Nederland, België en Duitsland.
In Luik ontmoette ik onder meer Alix Giet, Julien Régibeau en Christophe Masson, onderzoek(st)ers bij Transitions, de onderzoekseenheid voor de middeleeuwen en vroegmoderne tijd van de Universiteit van Luik. Onze gesprekken over de Bokkenrijders, hun processen en de manier waarop hun verhaal is gevormd, hebben mijn blik sterk veranderd. Eerst zag ik hen vooral als een mogelijke vorm van volksverzet, maar dankzij deze ontmoetingen kreeg ik meer inzicht in de tegenstrijdigheden binnen hun geschiedenis en vooral op de vragen rond bestaanszekerheid en criminalisering die hun geschiedenis gekleurd hebben.
Mijn onderzoek naar radio bracht me weer bij andere ontmoetingen. In Den Haag sprak ik onder anderen met Rob Bothof van Radio Tonka en Margherita Brillada van BUG Radio, twee onafhankelijke radiozenders. Deze gesprekken hielpen me om breder na te denken over radio als uitzendplatform, maar ook over wat het vandaag de dag betekent om een onafhankelijke radio in stand te houden, een programma samen te stellen en een platform voor vrije meningsuiting buiten de grote omroepnetwerken te behouden.
Deze gesprekken, net als andere gesprekken die ik tijdens de residentie voerde, zijn opgenomen. Voor de presentatie bij Greylight Projects heb ik ervoor gekozen om enkele fragmenten daarvan te publiceren in de vorm van een gedrukte uitgave. Zo konden de stemmen en ontmoetingen die het onderzoek hadden begeleid worden vastgelegd, zonder ze samen te brengen tot één samenhangend verhaal.
In de loop van de residentie hebben verschillende ontmoetingen en gesprekken het onderzoek verrijkt, rond thema’s als commons, radio, zaden en vormen van verspreiding en overdracht. Deze uitgave bundelt fragmenten daarvan samen, met Alix Giet, Julien Régibeau, Christophe Masson, Rob Bothof, Margherita Brillada, Reinier Hoon en Janet Pasveer. Bekijk hier een fragment.
Andere ontmoetingen brachten nieuwe perspectieven rond het delen en de verspreiding van hulpbronnen. Zo ontmoette ik Janet Pasveer, oprichtster van de Zadenbibliotheek, een Nederlandse zadenbibliotheek, en sprak ik met Reinier Hoon de Goutte over landbouw- en voedselproductie. De gesprekken over zaden, hun verspreiding, verkoop en vermeerdering sloten rechtstreeks aan bij mijn onderzoek naar eigendom: iets zo elementair als een zaadje kan een hulpbron worden die je bewaart, ruilt en deelt, maar ook reguleert of privatiseert.
Ook sprak ik met Sophie Delhasse, curatrice in Luik, over mijn lopende onderzoek en de verschillende richtingen die het insloeg. En gedurende de drie maanden hebben de gesprekken met Wouter Huis en Germaine Sijstermans bij Greylight Projects de ontwikkeling van het onderzoek begeleid, zowel bij het leggen van contacten met andere mensen en organisaties als bij de uitvoering van de verschillende experimenten.

Niet al deze ontmoetingen hoeven direct terug te komen in de vormen die ik verder zal ontwikkelen. Sommige hebben een onderzoekslijn een andere richting gegeven, andere hebben nieuwe invalshoeken geopend. Dat is ook wat ik uit deze drie maanden meeneem: de mogelijkheid om het onderzoek te laten circuleren tussen heel verschillende vakgebieden en mensen, en verbindingen te leggen die ik na de residentie hoop voort te zetten.”

U komt uit Marseille. Hoe verliep uw acclimatisatie in Heerlen? Welke invloed hebben het ontdekken van de regio, haar geschiedenis en haar grensoverschrijdende ligging gehad op uw manier van werken en uw onderzoek?
“Voor mijn aankomst kende ik Heerlen en Limburg nauwelijks. Daarom heb ik vanaf de eerste weken veel rondgereisd, te voet, met de fiets en met de trein, tussen Nederland, België en Duitsland. De nabijheid van de grenzen is hier heel tastbaar: soms steek je ze over zonder dat je het doorhebt.
Die situatie sloot al snel aan bij mijn onderzoek. Veel van de verhalen die ik volgde, hadden zelf te maken met verplaatsing en het overschrijden van grenzen: de Bokkenrijders, smokkel, piratenzenders. Uiteindelijk heb ik de regio leren kennen aan de hand van deze verhalen, maar ook via de mensen en ontmoetingen waar ze me naartoe brachten.
Het verleden van mijnbouw en industrie van Heerlen is sterk aanwezig, maar ik wilde daar niet direct een onderwerp van maken. Mijn interesse ging meer uit naar wat er van de sociale geschiedenis van de regio voortleeft in bepaalde gebruiken en volksverhalen.
Ook het verschil in tempo met Marseille speelde een rol. Heerlen gaf me veel tijd alleen om te lezen, te creëren en onderzoek te doen, terwijl ik dicht genoeg bij andere steden was om voortdurend op pad te kunnen gaan. Die afwisseling tussen periodes van afzonderlijk werken en ontmoetingen heeft het ritme van de residentie sterk bepaald.”

Nu deze residentie van drie maanden is afgelopen, wat neemt u mee uit deze ervaring? Hoe heeft de residentie bijgedragen aan de ontwikkeling van uw praktijk en de verschillende onderzoekslijnen waaraan u momenteel werkt?
“Deze residentie vormt een belangrijke mijlpaal in mijn praktijk, maar het onderzoek is nog volop in ontwikkeling. Tijdens deze drie maanden heb ik juist geleerd om te accepteren dat ik niet meteen naar een afgeronde vorm hoef te zoeken. Ik heb met veel dingen geëxperimenteerd, soms in behoorlijk verschillende richtingen, en sommige daarvan zullen waarschijnlijk alleen onderdeel van het onderzoeksproces blijven.
Zo heb ik gewerkt rond de circulatie en het delen van zaden, waarbij ik het zaadje als een vorm van geld of ruilmiddel benaderde. Vanuit die invalshoek maakte ik kleine belletjes van gehamerd koper, waarvan de vorm was gebaseerd op uitvergrote zaden. De ontmoetingen rond zadenbibliotheken en het werk dat daaraan verbonden is, riepen ook vragen op over eigendom en de reproductie van leven. Toch denk ik op dit moment niet dat ik deze vormen in het vervolg van het project zal behouden. Hetzelfde geldt voor een gebeeldhouwd houten hutje met poten van klei, en misschien ook voor bepaalde elementen van de geluidscompositie. Ze hebben het onderzoek verder gebracht, maar hoeven niet per se deel uit te maken van een toekomstige installatie. Sommige elementen kunnen later ook in een andere vorm terugkeren.

Terugkijkend denk ik dat de residentie me vooral heeft geholpen om duidelijker te zien wat al deze onderzoekslijnen met elkaar verbindt. Nu beschouw ik dit langlopende onderzoek onder de titel The Commons. Het bouwt zich in verschillende lagen rond eigendomsverhoudingen, het delen van hulpbronnen, manieren om in het levensonderhoud te voorzien, maar ook breder rond politieke ficties en datgene wat daarin en aan de randen ervan blijft voortbestaan, veranderd of opnieuw wordt uitgevonden. Zo kan ik verschillende onderzoekslijnen binnen mijn praktijk op een meer open manier met elkaar verbinden, zonder ze meteen in één enkele vorm te willen gieten.
De residentie heeft me ook meer vertrouwen gegeven in deze manier van werken: de tijd nemen, sommige onderzoekslijnen laten mislukken of verdwijnen, en maanden later op andere terugkomen. Geen vorm maken alleen omdat die het onderzoek lijkt te kunnen afronden, maar proberen te begrijpen hoe de vragen die ik stel ook kunnen terugkomen in de keuze van een materiaal, in het gebruik ervan of in de manier waarop het verandert.
Momenteel zet ik dit onderzoek voort met een nieuwe sculpturale experimentenreeks rond munten van oud brood. Daarmee ben ik begonnen tijdens een residentie bij het FRAC Sud en de C.C.A.S. (Caisse Centrale d’Acitivité Sociale) in Savines-le-Lac. Brood interesseert mij als voedingsmiddel, maar ook vanwege de politieke geschiedenis die het met zich meedraagt: het delen, de rantsoenering, de opstanden als gevolg van honger, maar ook de onderlinge hulp en de organisatie rond een essentiële grondstof. Er schuilt iets tegenstrijdigs in het maken van geld uit brood: geld is bedoeld om waarde te meten, te bewaren en op te potten, terwijl deze munten gemaakt zijn van restanten, vergankelijk en eetbaar zijn en uiteindelijk zullen verdwijnen. Het is deze tegenstelling die me nu bezighoudt en waarmee ik de vraagstukken rond eigendom, waarde en uitwisseling op een andere manier blijf onderzoeken.
Tegelijkertijd werk ik verder aan onderzoek dat directer verbonden is met specifieke gebieden. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn tijdens een residentie bij Bel Ordinaire in april 2027. Ik zou graag op deze manier verder willen werken, via verschillende deelonderzoeken die elk hun eigen geschiedenis, materialen en gebieden kunnen hebben. Ik weet nog niet of ze uiteindelijk samenkomen in één installatie of eenvoudigweg naast elkaar blijven bestaan. Voorlopig wil ik juist die openheid behouden.”
De residentie kreeg vorm door lezingen, archiefonderzoek, bezoeken en ontmoetingen in Nederland en België. Deze verschillende bronnen begeleidden de ontwikkeling van het project en openden nieuwe onderzoekslijnen rond commons, eigendom, vormen van verzet en netwerken voor uitwisseling. Deze selectie brengt enkele van de referenties, plekken en mensen samen die het onderzoek gedurende deze drie maanden hebben verrijkt.
Tentoonstellingen en onderzoek:
- Archieven van Limburg, Heerlen en Maastricht
- MIM, Bruxelles
Bibliografie van de boeken die tijdens de residentie zijn geraadpleegd:
- Sarah Vanuxem, 2018, La propriété de la terre, Éditions wildproject
- Marine Calmet, Décoloniser le droit, Ed. Wild Project, 2024.
- Dénètem Touam Bona
- SAGESSE DES LIANES, Cosmopoétique du refuge, 1, Post-éditions, 2021
- Révolutions à l’envers, Livre de David Graeber, 2011
- Survivance des lucioles, Georges didi-huberman, les éditions de Minuit, 2009
- Répertoire des subversions, art, activisme, méthodes, Martin Le Chevallier, ZONES, 2024
- Hakim Bey, TAZ, Zone Autonome Temporaire, édition de l’éclat, 1997



